Alle berichten van Carola Schoor

Jatwerk, allusie of gewoon slim?

“I have nothing to offer but blood, toil, sweat and tears.” Dit jaar is het tachtig jaar geleden dat Winston Churchill zijn beroemde uitspraak deed: op 13 mei 1940, tijdens zijn eerste speech als Prime Minister, enkele dagen na de invasie van Duitsland in Frankrijk. De gevleugelde woorden – waarmee Churchill Engeland de oorlog invoerde – worden vaak aangehaald ter illustratie van Churchills vooruitziende blik en lef. Churchill had de moed om niets te beloven wat hij niet kon waarmaken, en vergrootte de ellende zelfs uit. Hiermee deed hij het tegenovergestelde van wat de retorica voorschrijft: de zaken zo mooi mogelijk voorstellen. Hij zei ermee dat hij in elk geval eerlijk was.

Dit is niet de enige reden waarom de uitspraak getuigt van een groot retorisch talent: ook framede Churchill de oorlog  ermee als een nobele strijd, een verheven gevecht van het goede dat zich opoffert om het ultieme kwaad te bestrijden. Jonathan Charteris Black (2014) laat zien veel metaforen in  Churcill’s speeches direct verwijzen naar deze strijd van het goede tegen het kwade. Het bloed, het zweet en de tranen passen daar heel mooi in, en zijn ook in dit kader een perfecte keuze.

Een kleine kanttekening is wel op zijn plaats: de woorden zijn  oorspronkelijk niet van Churchill , maar van Garibaldi . Garibaldi was bijna een eeuw voor Churchill een Italiaanse nationalistische strijder, een nationale held in Italië en grondlegger van de Italiaanse eenwording. Deze charismatisch leider, die grote bekendheid genoot onder intellectuelen in de VS en Groot Brittanië, zei in 1849 “Offro fame, sete, marce forzate, battaglie e morte”: Ik bied honger, dorst, gedwongen marsen, veldslagen en dood.

Churchill is niet de enige die zich liet inspireren door fameuze voorgangers om er vervolgens met de credits vandoor te gaan. Ook Lenin’s beroemde uitspraak: “Die Religion ist das Opium für das Volk” is niet van Lenin, en zelfs niet van Marx, waar Lenin zich door liet inspireren.  Oorspronkelijk is de uitdrukking van Markies De Sade, die een van zijn karakters, Juliette, tegen koning Ferdinand laat zeggen over religie: “C’est de l’opium que tu fais prendre a ton peuple” – het is opium dat je het volk laat innemen.

Toch is de les die je hieruit zou kunnen trekken – beter goed gejat dan slecht bedacht – riskant. Neem bijvoorbeeld de maiden speech van Melania Trump, waarin ze zich al te letterlijk laat inspireren door haar voorgangster Michelle Obama. Met de zoekfunctie op internet is plagiaat tegenwoordig razendsnel ontmaskerd. Beter is het je inspiratiebronnen wat verder weg te zoeken en er een kleine variant op te verzinnen. Zoals Churchill deed. Je kunt er wereldberoemd mee worden, al zal een postzegel met je portret er waarschijnlijk  tegenwoordig niet meer inzitten.

Wie het niet nodig vindt om zelf heel taalvaardig over te komen maar wel wil laten blijken uitspraken van  geleerde voorgangers te kennen, kan zich bedienen van de ‘allusie’; een metafoor die openlijk verwijst  naar een andere context. Zoals bijvoorbeeld Baudet’s “Uil van Minerva”, die hij noemde in zijn overwinningsspeech na de Provinciale Statenverkiezingen in 2019.  Journalisten zagen al snel het verband met de Duitse filosoof Hegel, die in 1821 schreef: “Die Eule der Minerva beginnt erst mit der einbrechenden Dämmerung ihren Flug ” – de uil van Minerva begint pas bij de avondschemering met haar vlucht.  Baudet laat met deze allusie blijken dat hij een dik boek heeft gelezen en versterkt hiermee zijn elitaire imago. En het werkt – iedereen in Nederland kent inmiddels de Uil van Minerva, al zullen veel mensen eerder aan het Leidse studentencorps Minerva denken dan aan Hegel. Ook elitair, dus het effect is gelijk.

Churchill, Lenin, Melania Trump, Baudet – ze laten zien zich maar al te bewust te zijn van het belang van woorden voor de politiek. Origineel of niet, dat doet er in de politiek lang niet altijd toe. Sommige woorden zijn eenvoudigweg te goed om niet her te gebruiken.

Democratie of populisme

schermafbeelding-2016-11-22-om-13-51-53pmHet verschil tussen democratie en populisme? Het één is een Grieks woord, het ander is Latijn, maar daar houdt het verschil eigenlijk wel zo’n beetje mee op, zo formuleerde minister Plasterk het tijdens de boekpresentatie van het net verschenen De Januskop van de democratie van politiek filosoof Sjaak Koenis. Plasterk nam op maandag 21 november officieel het eerste exemplaar van het boek in ontvangst, in zijn hoedanigheid als minister met de ‘democratie’ in zijn portefeuille. Het onofficiele eerste exemplaar had hij in het weekend ervoor van voor tot achter uitgelezen. Plasterk: “Een inspirerend boek. Het laat zien dat de filosofie een interessante bijdrage kan leveren aan de politieke discussie in Nederland.”

Januskop
Dat populisme en democratie twee kanten zijn van dezelfde medaille, laat Koenis overtuigend zien in het boek over ‘de bronnen van boosheid in de politiek’. Doordat democratie gelijkheid belooft, maar die belofte nooit helemaal kan inlossen omdat mensen nu eenmaal verschillen in talent en geluk, is zij tegelijkertijd een bron van boosheid. Boosheid op de ‘ander’ die weliswaar gelijk is, maar toch meer geld, opleiding of politieke macht heeft. Deze boosheid kan productief worden ingezet, om de wereld en de eigen positie daarin te verbeteren. Dat noemen we emancipatie. Uit dezelfde bron kan echter ook een machteloze boosheid worden gecultiveerd, die niet verder rijkt dan slachtofferschap. Deze boosheid noemen we ressentiment.

Slachtofferschap
Volgens Koenis is het belangrijk om de boosheid die we op dit moment veel in de politiek tegenkomen, niet zonder meer weg te zetten als ‘populisme’ of als ‘een gevaar voor de democratie’. Beter is te kijken of boosheid alleen maar slachtofferschap cultiveert, of dat de boosheid ook echt naar maatschappelijke verandering streeft en dus doet waar de democratie voor is: het mensen laten opkomen voor hun belangen en ideeën. Zowel links als rechts vertonen volgens Koenis beide soorten boosheid en verdienen een open mind – waarmee Koenis overigens het populisme ook weer geen onbelemmerde doorgang verleent, zo bleek tijdens de levendige discussie met de zaal. Zodra populistische stromingen groepen mensen van de democratie willen uitsluiten, omdat deze er niet bij zouden horen, gaat zij een stap te ver: alle mensen en niet alleen zij hebben immers het recht om hun eigen boosheid in te zetten in de politieke strijd.

Volgens Herman van Gunsteren, die een inleiding hield over het thema, valt het met de huidige boosheid in de maatschappij overigens best mee. Hij had de indruk dat de politiek vroeger nog wel bozer was dan nu. Wat volgens hem wel aan de hand is, is dat er heel veel tweede- en derderangs burgers zijn in Nederland, die politiek niet echt vertegenwoordigd worden. Die mensen laten dat luid en duidelijk blijken door te stemmen op een duidelijke buitenstaander van de politiek. Constructief? Op het eerste gezicht niet, maar zoals Koenis betoogt, zal de geschiedenis daar later pas echt over kunnen oordelen.

Sjaak Koenis. De Januskop van de Democratie. Over bronnen van boosheid in de politiek. Van Gennep 2016. €19,90 

De retorische drieslag ‘Pathos – pathos – pathos’

dreamstime_xl_57192469Donald Trump heeft de Republikeinse voorverkiezingen in de VS gewonnen. Zijn winst heeft hij echter niet behaald door Aristoteles’ bekende retorische drieslag van Logos –Ethos – Pathos (argumenten – reputatie – gevoel), maar geheel en al door hard op de gevoels-trom te slaan. Pathos – Pathos – Pathos lijkt tegenwoordig de nieuwe retorische succes formule.
En niet alleen voor Trump. Zo heeft de democratische kandidaat Hillary Clinton alleen maar last van haar normaal gesproken indrukwekkende reputatie (ethos). Het feit dat ze Secretary of State en First Lady is geweest lijkt alleen maar in haar nadeel te werken. Tegenkandidaat Bernie Sanders verwijt haar – en de hele heersende politieke klasse – de oren teveel te laten hangen naar de rijkste 1%. Zij hebben de politici in hun zak door hun exorbitant hoge donaties aan kandidaten; alle kandidaten zijn afhankelijk van een kleine groep allerrijksten in Amerika, behalve biljonair Trump die zelf rijk is, en Sanders die door talloze kleine donaties inmiddels meer geld heeft opgehaald dat Clinton met haar Super-PACs.

In de steek gelaten
Sanders argumenten zijn behoorlijk  overtuigend en de logos speelt hier dus zeker een rol, maar wel steeds ten dienste van de pathos. Sanders versterkt – net als Trump – vooral het gevoel van de kiezers in de steek gelaten te zijn door de politieke elite. Studieschulden lopen op tot honderdduizenden dollars terwijl bankiers nog steeds hun bonussen opstrijken. Het wegennet is slechter dan in menig ontwikkelingsland en de Amerikaanse droom is voor steeds meer mensen een onbereikbare utopie. Dat is het gevoel dat overheerst in de Amerikaanse voorverkiezingen, zowel bij de Republikeinen als bij de Democraten.
Het maakt daarbij niet uit of je goede argumenten hebt (Sanders) of liegt dat het gedrukt staat (Trump); bovenal is aan de hand dat de uitleg (logos) van de huidige politieke elite – van wat er allemaal wél is bereikt, dat er zo goed mogelijk op de crisis is gereageerd en dat de ‘internationalisering’ nu eenmaal de handen bindt – die uitleg volstaat niet meer. De bestaande argumenten zijn uitgewerkt en een nieuwe overtuigende onderbouwing van de politieke status quo is nog niet voor handen. Zolang er nog geen nieuwe politiek en nieuwe politieke elite is die door de meerderheid van de bevolking logisch en acceptabel gevonden wordt, zal de pathos nog wel eventjes de boventoon voeren.

Fact checken
Voor een deel is dit inherent aan de democratie, zoals Sjaak Koenis in het bericht Boze burgers en de democratie uiteenzet. Niets om je druk over te maken dus? Toch wel. Verontrustend vind ik dat  Donald Trump laat zien dat de mensen het helemaal niet erg vinden om aantoonbaar voorgelogen te worden. Al worden er nog zoveel uitspraken van hem onderuitgehaald als ‘feitelijk onwaar’ het schaadt hem niet. Hij heeft zelfs de brutaliteit om bij een aantoonbaar onware uitspraak te zeggen dat men deze uitspraak mag ‘fact checken’. Het interesseert hem niet, want het beeld dát hij dit zegt bereikt veel meer mensen dan de fact check waaruit blijkt dat hij liegt. Of hij hier ook op de langere termijn mee wegkomt, moet nog blijken. Ik blijf toch hopen op een beetje gezond verstand. Of dat een kans krijgt in deze sfeer, is echter te betwijfelen. De rest van de campagne belooft niet erg verheffend te worden, maar vooral veel spektakel te bieden. En als dat dan toch zo is, kunnen we er net zo goed van genieten. Want Oh wat is het spannend, dit WK voor presidenten, en dat nog een half jaar lang! /  © Carola Schoor 2016

Emotioneel gelijk krijgen

BeïnvloedenMetEmotiesAngst, woede, plezier, bewondering; overtuigen gebeurt nooit alleen op basis van argumenten. Wie het lukt om de gevoelens van de mensen te raken, krijgt vaker gelijk dan wie alleen het verstand aanspreekt.

Aristoteles en Cicero wisten hoe dat moest, maar ook Obama en Poetin hakken met deze bijl, om maar niet te spreken van Nederlanders politici als Wilders en Timmermans. Ze figureren allemaal in de bundel met korte essays ‘Beïnvloeden met emoties’, onder redactie van Jaap de Jong, Christoph Pieper en Adriaan Rademaker. Een mooi uitgegeven boek met redelijk toegankelijke bijdragen van wetenschappers uit allerlei vakgebieden over de rol die emoties spelen in het beïnvloeden. De essays dienen vooral ter inspiratie en dat is juist gezegd; het zijn geen uitputtende verhandelingen, maar kort genoeg om leesbaar te blijven en lang genoeg om aan te zetten tot nadenken en verder lezen.

Polly Barker
Een van de essays die aansporen tot nadenken over de huidige politiek is het stuk over Polly Barker door Jacqueline Hylkema. Halverwege de 18e eeuw ging er een tranen-trekkend verhaal over deze moeder de wereld rond en werd het in talloze publicaties gepresenteerd als ‘waar’ verhaal over een vrouw in Connecticut die werd aangeklaagd omdat ze een ‘bastaard’ ter wereld had gebracht – wat in die tijd in de Puriteinse staat verboden was. In werkelijkheid bestond Polly Barker niet en was het verhaal verzonnen door de Amerikaanse politicus en ‘founding father’ Benjamin Franklin, die ermee wilde aantonen dat de wet tegen bastaardkinderen slecht was. Het werkte; de verontwaardiging over de wet was groot en de speech werd in zelfs tot in Engeland en Frankrijk een groot succes.
Franklin had al eerder fictieve karakters brieven in kranten laten schrijven om onderwerpen aan te snijden, en was daarin heel succesvol. Dat het vervalsingen waren deed er voor hem niet toe; ze dienden het hogere doel om een groot publiek te laten nadenken over sociale misstanden en om steun te krijgen voor oplossingen. Het verhaal van Polly Barker was overigens wel gebaseerd op de levens van enkele echt bestaande vrouwen. Franklin had deze verhalen vooral mooier en emotioneler gemaakt; zo trouwde Polly uiteindelijk met een rechter, die zo geroerd was door haar ellende dat hij haar ten huwelijk vroeg. De reden voor deze literaire ingreep door Franklin was dat alleen de ‘logos’, het verstand, nooit genoeg is om te overtuigen, je moet een beroep doen op de ‘pathos’, de emotie.

Echt of verzonnen
Deze regel is tegenwoordig alom bekend in de politieke communicatie; bij elk voorstel of commentaar komen politici wel met een voorbeeld van ‘een mevrouw uit Tilburg’ of ‘onze loodgieter’ die vreselijke gevolgen ondervinden van een of andere maatregel. Dit maakt het voorstel of de kritiek veel makkelijker invoelbaar. Meestal zijn deze voorbeelden wel traceerbaar ‘echt’, en de vraag is of je tegenwoordig zover kunt gaan om het hele voorbeeld uit je duim te zuigen. Het zal ongetwijfeld gebeuren (zoals onlangs de fictieve reportages uit Schilderwijk lieten zien) maar het risico op ontdekking is groot. Te verwachten is dat de sociale media de leugen snel hebben ingehaald. Als dat gebeurt gaat de boodschap geheid verloren in het geraas rondom de leugen zelf en kan de boodschapper zijn politieke of journalistieke carrière verder wel vergeten.
We kunnen jammer genoeg nooit zeker weten hoeveel berichten ‘echt’ zijn en hoeveel gefraudeerd. Zeker op internet circuleren genoeg aantoonbaar verzonnen nieuwsberichten, niet van serieuze media of politici maar van commerciële sites die alleen maar zoveel mogelijk ‘clicks’ willen genereren. Helaas ondergraaft dat ook het vertrouwen in media en politici die hun stukken wel op reële gebeurtenissen baseren. Het enige verweer hiertegen is – en daar zijn we weer bij Aristoteles – het ethos van de schrijver. Je weet of iets waar is omdat je de persoon die het zegt of schrijft vertrouwt, niet vanwege de boodschap zelf.

Het geweer
Dat ethos inderdaad belangrijk is voor de overtuigingskracht, blijkt wel uit de speech waar het essay ‘Presenteer het geweer’ van Jaap de Jong in de bovengenoemde bundel naar verwijst. Het gaat over de TED-talk die de Nederlandse generaal Van Uhm in 2011 hield over ‘Why I chose the gun’: te zien op Youtube en inmiddels een paar miljoen keer bekeken en bekroond met de Cicero Award en de Cicero Grand Award. Ik had al vaker gehoord over de talk, maar het was er nog nooit van gekomen om hem te bekijken. Ik raad het iedereen aan (klik hier). Deze speech kan zelfs de meest verstokte pacifist nog overtuigen van het nut van een geweer, al is het maar voor de tijd dat de speech duurt.
De speech is in het Engels, en dat het écht een goede speech is, bewijst het feit dat je je zelfs niet echt stoort aan het stevige Hollandse accent van Van Uhm. Dit is pas speechen, met de nodige pathos, maar ook met ethos en logos. Sterke argumenten. Onderbouwd door gevoel. En vooral de ethos die je voelt als diep respect voor de spreker die zelf een zoon heeft verloren voor zijn gekozen doel, zonder dat hij daar overigens naar verwijst. En respect voor de soldate die daar met het geweer staat naast van Uhm, waar je niets aan ziet maar wiens gehoor en been is beschadigd in Afghanistan.
Van dat soort speeches kunnen de meeste politici alleen maar dromen. Die kun je ook niet zomaar houden, die moet je echt zijn. Toch zijn het juist dit soort getuigenissen die de politiek op dit moment nodig heeft. Waar enkele decennia geleden het leger veel maatschappelijke kritiek te verduren kreeg  is , ligt nu vooral de reputatie van de politiek onder vuur. Het leger heeft inmiddels haar negatieve imago om weten te zetten in een veel positiever beeld. Het kan dus. Het vertrouwen in de politiek is nu laag, en het is aan de politiek om dat terug te winnen. / © Carola Schoor 2016

Jaap de Jong, Christoph Pieper en Adriaan Rademaker (2015). Beïnvloeden met emoties. Pathos en retorica. Amsterdam, AUP.

Je suIS IS, of toch Charlie?

isOp 8 april 2015 lukte het de hackers-groep Cyber Caliphate om de Franse TV-zender TV5 Monde over te nemen. Tegen een zwarte achtergrond verschenen de woorden ‘Je suIS IS’  op het televisiekanaal, de internetsite en de Facebookpagina van TV5 Monde. Dat IS zijn strijd niet alleen met behulp van wapens voert, maar ook dankbaar gebruik maakt van retorica, wordt weer eens duidelijk. Ze zijn zelfs gevat, met het gebruik van een allusie naar ‘Je suis Charlie’ en de weergave van de letters ISIS in ‘je suIS IS’ in kapitalen.
Het voelt een beetje als een klap in het gezicht. ‘Je suis Charlie’ was nu net het trotse en vastberaden antwoord van de Westerse wereld op de bloedige aanslag op het satirische weekblad Charlie Hebdo, een stellingname dat ‘wij’ in de Westerse wereld,  in tegenstelling tot IS, onze meningsverschillen vooral met woorden proberen uit te vechten. Dat is wat de woorden ‘Je suis Charlie’ uitdrukten: ze waren een metafoor voor: “Ik laat me de mond niet snoeren, hoeveel bloedige aanslagen jullie ook plegen”. 

Metafoor als steunbetuiging
Met deze metafoor (het is een metafoor omdat men niet letterlijk, maar figuurlijk Charlie was) gaf men uitdrukking aan zijn afschuw, medeleven met de slachtoffers en woede ten opzichte van de daders. Naast de sterke emotie die de metafoor uitdrukt, is het ook een strategische metafoor*: het is een stellingname in het politieke veld, tegen de aanval van de extremistische islam op westerse waarden en normen en een uiting van solidariteit. Het zegt: als je dit tijdschrift aanvalt, dan val je mij aan. En ik sla terug. Niet met daden, maar met woorden en tekeningen zoals Charlie Hebdo altijd heeft gedaan.

En nu slaat IS terug met onze eigen wapens, met de boodschap: Wij kunnen jullie wél monddood maken. Want dat is hoe we ‘Je suIS IS’ moeten begrijpen. Het zegt: ‘Ik neem jullie TV zenders over als ik dat wil en zet ze allemaal op zwart’. Gelukkig is dat nog niet het geval en vallen er bij deze retorische strijd nu geen doden, maar dat IS het niet bij woorden alleen laat, is helder. En dat er nu weer media doelwit zijn, is, als je er even over nadenkt, heel naar. Het haalt de herinnering aan de aanslag in januari weer terug. En zo is het ook (mede) bedoeld.

Kapot redeneren
De rol die metaforen hier spelen, plaatst de discussie die in januari ontstond over de metaforische leus ‘Je suis Charlie’ in een ander licht. Het debat in de Nederlandse media ging in januari onder meer om de vraag of deze Charlie-metafoor rationeel gerechtvaardigd was of niet; of al deze mensen wel het recht hadden om zich Charlie te noemen, want zij zouden nooit hun nek durven uitsteken zoals deze tekenaars hadden gedaan. Of zij hadden voor de aanslag nog nooit van Charlie Hebdo gehoord en hadden het blad zeker nooit gekocht.
Deze discussie slaat de plank flink mis. De metafoor ‘Je suis Charlie’ gaat misschien als rationele analogie niet honderd procent op, maar dat doet bijna geen enkele metafoor en de leus is ook nooit bedoeld om een rationele vergelijking te maken. Hij is bedoeld als emotionele steunbetuiging en als politieke stellingname. Een politieke taal-daad, en nog een hele krachtige ook. Die moet je niet kapot redeneren.jesuischarlie
Vooral nu IS terugslaat met deze ‘je suIS IS’ variant, is het belangrijk een lange neus terug te maken. Jij mag dan ISIS zijn, maar wij zijn toch lekker allemaal nog steeds Charlie. Fijn dat je ons er even aan hebt herinnerd. / © CS 2015

Metaforische schepen blijven bestaan

vvd houdt koersHet is weer verkiezingstijd en het is interessacolijnnt om te kijken naar de metaforen die de  partijen gebruiken. De VVD kiest voor een klassieker:  “De VVD houdt koers”. De partij treedt hiermee in de voetsporen van tal van partijen: Colijn liet zich al op verkiezingsaffiches afbeelden als stuurman (in zuidwester), en ook Rita Verdonk poseerde achter het stuurwiel. Bij de VVD echter geen Rutte aan de helm van het staatsschip, het affiche blijft vrij abstract – misschien omdat het beeld van Rita Verdonk achter het stuurwiel nog te vers in ons geheugen ligt. En natuurlijk is het afbeelden van de landelijke voorman bij provinciale staten verkiezingen ook niet heel opportuun, al hebben deze verkiezingen nog zoveel landelijke impact.

Rita Verdonk als stuurvrouwZeevaart
Ondanks de abstracte opmaak roept de koers van de VVD toch ook associaties op met het metaforische domein van de zeevaart. Het doel van het koersvaste VVD-beleid is volgens de VVD-site dat: “u de ruimte heeft om te bouwen aan uw leven”. Dit roept de associatie op met ontdekkingsreizigers die nieuw land zoeken waar nog ruimte is, of aan de emigratie van landgenoten die Nederland te beperkt vinden. En dat doet dan weer denken aan de VOC-mentaliteit van het CDA, alleen had dat juist niet te maken met doelgericht koers houden, maar met de koers loslaten en risico’s durven nemen om nieuwe dingen VVD koersvast naar de kelderte ontdekken, zonder vooropgezet plan. Want koersvast is ook weer niet altijd een positieve eigenschap, zoals het bijgaande commentaar van GeenStijl laat zien. Hierin vaart het koersvaste VVD-schip als een Titanic recht op een onder water verborgen ijsberg af. De VVD houdt koers naar de kelder. Tja, op een moment dat er van alles misgaat in de partij (sjoemelende bestuurders, aftredende bewindslieden) is koersvastheid inderdaad geen pré, dan is juist  wendbaarheid geboden.

Mammoettanker
Een andere bekende variant van het ‘schip van staat’  dat te weinig wendbaar is, komt van de Partij van de Arbeid. Toen Joop Den Uyl tijdens een van zijn ministerschappen het verwijt kreeg dat hij teveel dezelfde koers voer als zijn voorgangers, was zijn repliek dat de marges nu eenmaal smal zijn. Een mammoettanker is nu eenmaal moeilijk wendbaar, maar als je de koers slechts met een enkele graad weet te verleggen, dan zal dat op korte termijn niet opvallen, maar op lange termijn kom je echter op een heel ander continent aan (ik heb bron van dit citaat helaas (nog) niet kunnen traceren; een kanttekening is dus op zijn plaats, ik heb dit niet kunnen checken).
De mammoettanker is op zichzelf overigens ook een klassieker als het gaat om beleid dat maar moeizaam omgebogen kan worden. De overheid, maar ook grote, logge organisaties worden er al te vaak mee vergeleken.

Sleets
En de VVD? Op de juiste koers met deze metafoor?  Op zich komt de boodschap wel over, al hebben ze de pech dat juist in verkiezingstijd allerlei VVD-bewindslieden negatief in het nieuws zijn. Daarbij is ‘koersvast’ erg sleets. Maar hiermee wijken zij niet af van de andere partijen, die allemaal voor een ‘evergreen’ lijken te hebben gekozen: ‘Afrekenen’, ‘Samen één,’  ‘Nu vooruit’, ‘Stuur Rutte naar huis’. Het blinkt niet uit in originaliteit. Maar daar is het ook helemaal niet om te doen. Een metafoor hoeft helemaal niet origineel te zijn om zijn werk te doen. Sommige metaforen vatten nu een keer goed samen wat je anders in tien zinnen moet uitleggen. Alleen is het jammer dat je je er niet echt mee onderscheidt. / © CS 2015

 

 

 

 

 

Bankiers in de metaforenjungle

bankier als wolfAls één boek de kracht van metaforen laat zien, dan is het het onlangs verschenen ‘Dit kan niet waar zijn’ van Joris Luyendijk. Hierin doet Luyendijk verslag van zijn ontdekkingstocht als onwetende journalist in het hartje van de financiële wereld, de City in Londen. Luyendijk maakt uitgebreid gebruik van metaforen;  telkens vindt hij weer een beeld dat de verbinding legt tussen lezer en onderwerp, journalist en geïnterviewde. Op het overdadige af – soms lijkt een bladzijde meer metaforen te bevatten dan ‘gewone woorden’ – maar het moet gezegd, het werkt. Het is het beste, en misschien wel enige, instrument dat Luyendijk heeft om dit onderwerp begrijpelijk en aansprekend te maken.

Dierenrijk
Zo is een van zijn vaste interview-vragen met welk dier de geïnterviewde zichzelf zou vergelijken. Geen doorsnee interview-vraag, maar het levert een heel verhelderend
beeld op van de financiële wereld. Hierin figureren zoals verwacht veel roofdieren (er blijken veel meer wolven rond te lopen dan alleen die ene van Wallstreet, naast haaien, tijgers en hyenea’s), maar ook veel helpers (het beta-chimpanseemannetje en honden die het niet erg vinden om te worden geschopt), groepsdieren als olifanten, bijen en mieren, naast onafhankelijke zielen als de schildpad. Het draagt bij aan het algehele beeld dat Luyendijk schetst van de City, namelijk dat van een jungle, waar allerlei uiteenlopende wezens rondlopen maar waarin ook een wetteloosheid heerst.

luyendijkCasino’s, oorlog en de biecht
Naast het dierenrijk zijn overigens ook andere metafoordomeinen rijkelijk vertegenwoordigd. Het casino, de oorlog, de biecht, voetbal, de maffia, het Wilde Westen, Rock-‘n-roll, de City als dorp; ga zo maar door. Een mooi voorbeeld van een verhelderende metafoor is die van het spelen van Russisch roulette, maar dan met andermans hoofd, waarmee wordt uitgelegd dat het risico van het financiële spel voor grote systeembanken niet bij henzelf ligt, maar bij de aandeelhouders, de overheid en de burgers. Dat was vroeger anders, want toen lag het risico bij de partners van kleine financiële kantoren die met hun eigen geld ‘speelden’. Risicovolle producten kwamen er toen gewoon niet in. Je gaat geen Russisch roulette spelen als je eigen hoofd in het spel is. Door deze metafoor is het mechanisme dat tot de crisis leidde in een keer duidelijk, en beklijft ook Luyendijks conclusie: de enige manier om structureel iets te verbeteren is het radicaal opsplitsen van grote ‘too big to fail’ banken in kleinere banken die failliet kunnen gaan zonder de hele economie in hun val mee te slepen.

Begrip of emotie?
Het boek is een bevestiging voor de centrale stelling uit de cognitieve metafoor- wetenschap dat de metafoor een cruciaal denkproces is, waarmee mensen nieuwe, abstracte onderwerpen kunnen begrijpen in termen van iets bekends (meer hierover hier). We denken, begrijpen nieuwe dingen met hulp van metaforen. Er zijn taalwetenschappers die de metafoor zelfs zien als het centrale principe waarmee de mens zijn cognitieve capaciteiten sinds de oertijd steeds verder heeft weten uit te breiden. Geen intelligentie zonder metafoor.
Hoe belangrijk die cognitieve functie van de metafoor ook is, in de politiek wordt een metafoor niet alleen ingezet voor het vergroten van begrip. Soms is een letterlijke uitdrukking heel eenvoudig te begrijpen, maar kiest een politicus toch voor een metafoor. Een goed voorbeeld is de beruchte ‘kopvoddentaks’ van Geert Wilders. Deze metafoor voegt geen rationeel begrip toe aan het letterlijk woord dat  zoiets als ‘hoofddoekjesbelasting’ zou moeten luiden. Dat is een heel helder woord dat gemakkelijk te begrijpen is. De metafoor ‘kopvoddentaks’ is dus ingezet voor een ander doel, in dit geval is dat het retorische doel van het toevoegen van een negatieve emotie, naast het strategische, politieke doel van provocatie, polarisatie van het debat, en het opvallen in de media.

Vliegtuigcrash
Terug naar Luyendijk. Zijn deze emotionele en strategische doelen ook bij hem terug te vinden? Eerst het emotionele doel. In de inleiding is het meteen al raak. Het boek begint met de beschrijving van Luyendijk die in een vliegtuig zit. Hij ziet een steekvlam uit de motor komen, vraagt aan de stewardess of er iets aan de hand is, maar zij doet heel geruststellend. Luyendijk vertrouwt het echter niet, en het lukt hem, na veel tegenwerking door het personeel dat blijft zeggen dat er niets aan de hand is, in de cockpit te komen. Daar ziet hij dat er helemaal niemand aan het stuur zit. Mocht de lezer nog twijfelen aan het belang van het onderwerp van het boek,  met deze metafoor (of een allegorie, zoals zo’n uitgebreid metaforisch verhaal ook wel wordt genoemd) zijn alle alarmbellen in zijn hoofd afgegaan. De lezer ‘voelt’  precies wat er aan de hand is. Hoewel al eerder was aangekondigd dat het helemaal mis was met de financiële sector, was dit blijkbaar niet genoeg. Om zijn boodschap echt goed over het voetlicht te krijgen, heeft Luyendijk een metafoor nodig die de emotie mobiliseert.

Kuifje in de jungle
Dan het derde doel waarvoor metaforen worden ingezet, het strategische of politieke doel. Hiermee positioneert een politicus zich in het politieke veld; hij laat zien wie zijn vrienden en zijn vijanden zijn, hij zorgt dat hij betrouwbaar overkomt (en zijn tegenstanders als onbetrouwbaar). Hoe zit dat bij een journalist? Ook hij heeft een strategie met dit boek, maar gebruikt hij ook strategische metaforen? Heel toepasselijk kiest Luyendijk hier de metafoor van ‘Kuifje bij de Bankiers’. Hij zet zichzelf er mooi mee neer, als kleine maar dappere journalist die een spannend  avontuur beleeft in de jungle. Met tijgers, maffia en Rock-‘n-roll.
Wat mij betreft is Kuifjes missie geslaagd, tenminste als die missie het uitleggen van de financiële wereld aan een leek was. Maar, zul je misschien zeggen, Kuifje schrijft niet alleen over de boeven, hij wint er ook van. Zover is het natuurlijk nog niet, Luyendijk is geen stripheld die in zijn eentje de wereld kan redden. Maar zijn boek levert er wel alvast een positieve bijdrage aan. Want alle hervorming begint bij begrip. De bal ligt nu bij de politiek, om maar eens een voetbalmetafoor te gebruiken. / © CS 2015

 

Pas op met politieke ‘recepten’.

Bram van Ojik Recepten“We moeten de les trekken dat de rechtse recepten niet werken. De crisis is er door veroorzaakt.”

Dit zei Groen-Links voorman Bram van Ojik op 7 februari 2015 tijdens het GroenLinks congres. Hij betoogde met deze recept-metafoor dat de neoliberale maatregelen die de laatste jaren zijn genomen om de crisis te bestrijden, niet werken. Ze hebben juist een groot deel van de crisis veroorzaakt, terwijl hardnekkige problemen als de hoge werkloosheid, de niet-werkende arbeidsmarkt en de groeiende ongelijkheid er niet door worden opgelost.

Politici als dokters.. 
Op zich een interessante discussie, en inhoudelijk is er al veel over gezegd en getwitterd. Als metafoorwetenschapper ben ik natuurlijk vooral gespitst op de woorden die Van Ojik kiest: de politiek die met ‘recepten’ voor de crisis komt, als een dokter die een zieke (maatschappij) een geneesmiddel voorschrijft. Bram van Ojik stapt hiermee in een hele oude traditie die de politiek ziet als geneesheer en de maatschappij als zieke. De eerste persoon bij wie deze metafoor terug te vinden is,  is  niemand minder dan Plato. In zijn dialoog ‘Gorgias’ laat hij Socrates zeggen dat de geneeskunde zich met de staatkunde laat vergelijken:

“Zoals de geneeskunde soms bittere medicijnen voorschrijft om de mens weer gezond te maken, zo moet ook de staatkunde soms impopulaire maatregelen nemen die gericht zijn op de gezondheid van de ziel, niet op het genot (Plato, Gorgias 464-466).

..of koks?
Het zal niet verbazen  dat Plato’s tegenstrevers, de Sofisten, hier als valse geneesheren worden neergezet. Zij beoefenen niet de geneeskunde, maar de kookkunst; zij zijn namelijk niet gericht op de echte genezing maar alleen op het strelen van de tong, het behagen van de burgers en het hen naar de mond praten. In dit opzicht is het opmerkelijk dat het Nederlandse woord ‘recept’ zowel op de kookkunst als op de geneeskunde van toepassing is (hoewel recepten die ‘werken’ weer zijn voorbehouden aan de geneeskunde). Tweede opmerking:  het koksvak wordt hier wel erg negatief neergezet. Ten onrechte natuurlijk; ook koks kunnen gezond eten leveren, en zelfs nog lekker ook  (en dat is kort gezegd het standpunt van Aristoteles, maar daarover een andere keer).

Terug naar de geneeskunde. In Plato’s ‘Politeia’ wemelt het van metaforen die verwijzen naar de geneesheer/zieke relatie tussen politieken maatschappij. Op zich niks mis mee, de metafoor is een mooi hulpmiddel bij het uitleggen van een vrij abstracte zaak als de politiek. Maar er zit een gevaarlijk kantje aan, dat duidelijk wordt in het volgende citaat van Plato:

“De kans is groot dat onze leiders zich in het belang van hun onderdanen van leugens en bedrog zullen moeten bedienen. Maar hebben we niet al gezegd dat je al zulke dingen als remedie (geneesmiddel) kunt gebruiken?”

Leugens
Leugens en bedrog zijn dus soms nodig om het volk te ‘genezen’ van verkeerde gedragingen.
Ai.
Hier zien we een glimp van Plato’s totalitaire trekjes. Een geneesheer heeft immers duidelijk meer kennis van zaken dan de patiënt, en dat zou volgens Plato rechtvaardigen dat hij het ‘bittere medicijn’ onder valse voorwendselen op mag dienen, of verstoppen in iets lekkers, zodat de zieke het niet doorheeft en kiest voor ‘het goede’ in plaats van ‘het makkelijke’. Op zich een redenering die iedereen kan volgen, maar in de uitwerking riskant. Wie garandeert immers dat de geneesheer het bij het rechte eind heeft? En als de zieke geen eerlijke voorlichting krijg over zijn ziekte en medicijngebruik, dan heeft hij geen enkele controle over zijn eigen gezondheid.

Mondige patiënten
Gelukkig zijn patiënten tegenwoordig mondig genoeg om te protesteren als het medicijn niet werkt. En dat is wat Van Ojik hier doet. Hij spreekt hier dus vanaf de plaats van patiënt die merkt dat de medicatie niet helpt tegen zijn kwaal. Deze positie past van Ojik in de ene plaats wel, want hij zit niet in de regering maar in de oppositie, en neemt dan ook niet de plaats in van de geneesheer. Maar als mede-politicus is hij toch ook een collega geneesheer, met evenveel kennis van het genezingsproces als de regering. En dan rijst natuurlijk de vraag of hij dan een beter recept heeft tegen de crisis. Hij heeft een tijdje geloofd in het neoliberale recept van zijn tegenstrever, zo geeft hij toe, maar nu niet meer. Wat het alternatief is,  is niet direct duidelijk en garanties dat het ‘linkse’ recept wel werkt heeft niemand.

Wat dat betreft heeft Hans van Mierlo postuum misschien wel een een mooie uitsmijter, met een uitspraak die hij in 1990 tijdens de Algemene Beschouwingen deed:

 ” De samenleving mag dan ziek zijn, maar als ook de dokter aan je bed niet helemaal lekker is, dan heb je een probleem.”

Misschien biedt een lekkere maaltijd hier enige soelaas. Het geeft dan wel geen genezing, maar wel weer moed om er met zijn allen tegenaan te gaan. Ik pleit voor een metafoor die de politiek als kok op het voetstuk zet. Maar dan wel iets brouwen met gezonde ingrediënten natuurlijk. Dan moet het goedkomen.

/  © CS 2015