Boze burgers en de democratie

© Jan Kranendonk | Dreamstime.comBoze burgers, het ressentiment of het onbehagen in de democratie is een interessant probleem. Waar komt het vandaan? Voor de Tweede Wereldoorlog wisten de meeste beschouwers van de politiek het wel: het is de democratie die de bron hiervan is. Na de oorlog is het beeld van de democratie helemaal gekanteld: van bron van onbehagen is het veranderd in het hoogste goed. Vrijwel iedereen is er tegenwoordig van overtuigd dat democratie een nastrevenswaardig ideaal vormt. Deze universele erkenning en waardering van democratie heeft ons echter blind gemaakt voor het ressentiment en het onbehagen dat de democratie juist zelf met zich meebrengt.

Volk en elite
Ik doel op drie soorten van ressentiment en onbehagen. Ten eerste is er de spanning tussen elite en volk. Het volk kan zichzelf alleen besturen met behulp van de elite die daartoe door het volk gekozen wordt. Maar in een democratische samenleving zal deze elite zich nooit blijvend op een maatschappelijke claim van superioriteit kunnen beroepen, ook niet op die van verdienste in een meritocratie, omdat het volk uiteindelijk ook ‘zijn besten’ kan en zal wegsturen, omdat de afstand tussen het ‘volk’ en zijn ‘besten’ te groot is geworden, en het volk daarom op zoek gaat naar nieuwe vertegenwoordigers. Omdat dit onbehagen afhangt van de conjunctuur van de politiek noem ik dit conjunctureel onbehagen. Het linkse populisme uit de jaren zestig is er een voorbeeld van, net als het rechtse populisme van het laatste decennium. Ze markeren het einde van een periode waarin elite en volk een relatief stabiele relatie onderhielden.

Gebroken beloftes 
Ten tweede is er spanning tussen wat democratie belooft en wat zij levert. In theorie staan vrijheid en (stands)gelijkheid hoog aangeschreven, maar in de praktijk leidt de vrijheid die wordt gerealiseerd tot grotere (sociaal-economische) ongelijkheid. Het onbehagen dat deze spanning oproept is niet afhankelijk van de conjunctuur van de politiek, maar leidt permanent tot afgunst en ressentiment. Hoe dit ressentiment zich uit en hoe sterk het is hangt af van de manieren waarop deze ongelijkheid institutioneel tegemoet wordt getreden. Men zou kunnen stellen dat de ontwikkeling van de verzorgingsstaat een belangrijke stap is geweest in het dempen van dit soort ressentiment, maar intussen is de verzorgingsstaat zelf deel van het probleem geworden. Over de vraag hoe en in welke mate ongelijkheden opgevangen dienen te worden, wordt in onze democratie permanent discussie gevoerd: wat voor de één de hebzucht van de hebbers of schrapers is, is voor de ander het ressentiment van de niet-hebbers of klagers, en afhankelijk van het relatieve gewicht van gelijkheid ten opzichte van vrijheid zal de onvrede kleiner of groter worden. De bonussen die in het bedrijfsleven en de (semi)overheid worden gegeven vormen niet voor niets een heet hangijzer.

Identiteitsverlies
Er nog een derde vorm van onbehagen die men rechtstreeks aan de democratie kan toeschrijven. Dat is het onbehagen dat het gevolg is van de ondermijning van de gemeenschappen waarin burgers zich in democratische samenlevingen organiseren, inclusief de nationale staat als die als een culturele gemeenschap wordt opgevat. Aan de ene kant biedt democratie burgers het recht en de mogelijkheid om zich te organiseren op basis van (religieuze) identiteit, gender, ideologie of cultuur. Met name religieuze gemeenschappen hebben sterke en wijdvertakte organisaties voortgebracht, maar ook het feminisme en socialisme hebben zich georganiseerd op basis van hun identiteit en belang. Aan de andere kant zorgt democratie er ook voor dat deze gemeenschappen steeds onder druk worden gezet. Voorbeelden hiervan zijn het herinrichten van gemeentes of het overdragen van nationale bevoegdheden aan Europa. Het onbehagen dat voortvloeit uit het verlies van deze gemeenschappen (religieus, politiek-ideologisch, cultureel) is niet conjunctureel, hangt ook niet samen met de spanning tussen toenemende standsgelijkheid en (sociaaleconomische) ongelijkheid, maar is diffuser. Het zorgt bij veel mensen voor het gevoel dat ze hun houvast kwijtraken, en dat gevoel is niet zomaar een hersenspinsel. Veel burgers zien Europa daarom als een bron van onbehagen.

Als de drie bronnen van onbehagen bij elkaar komen en elkaar gaan versterken – als mensen de zittende elite afwijzen, zich slachtoffer voelen van de vrijheid van anderen en hun vertrouwde gemeenschap in gevaar zien – dan wordt het interessant. Weliswaar komt niet de democratie zelf in gevaar, maar het is wel gedaan met de ‘normale politiek’ waarin elite en volk zich met elkaar verzoend hebben. In zo’n periode zitten we nu.

Sjaak Koenis

Een uitgebreide versie van deze column verscheen eerder in het tijdschrift Wijsgerig Perspectief jrg. 53 nr 3.