Categoriearchief: actueel

Jatwerk, allusie of gewoon slim?

“I have nothing to offer but blood, toil, sweat and tears.” Dit jaar is het tachtig jaar geleden dat Winston Churchill zijn beroemde uitspraak deed: op 13 mei 1940, tijdens zijn eerste speech als Prime Minister, enkele dagen na de invasie van Duitsland in Frankrijk. De gevleugelde woorden – waarmee Churchill Engeland de oorlog invoerde – worden vaak aangehaald ter illustratie van Churchills vooruitziende blik en lef. Churchill had de moed om niets te beloven wat hij niet kon waarmaken, en vergrootte de ellende zelfs uit. Hiermee deed hij het tegenovergestelde van wat de retorica voorschrijft: de zaken zo mooi mogelijk voorstellen. Hij zei ermee dat hij in elk geval eerlijk was.

Dit is niet de enige reden waarom de uitspraak getuigt van een groot retorisch talent: ook framede Churchill de oorlog  ermee als een nobele strijd, een verheven gevecht van het goede dat zich opoffert om het ultieme kwaad te bestrijden. Jonathan Charteris Black (2014) laat zien veel metaforen in  Churcill’s speeches direct verwijzen naar deze strijd van het goede tegen het kwade. Het bloed, het zweet en de tranen passen daar heel mooi in, en zijn ook in dit kader een perfecte keuze.

Een kleine kanttekening is wel op zijn plaats: de woorden zijn  oorspronkelijk niet van Churchill , maar van Garibaldi . Garibaldi was bijna een eeuw voor Churchill een Italiaanse nationalistische strijder, een nationale held in Italië en grondlegger van de Italiaanse eenwording. Deze charismatisch leider, die grote bekendheid genoot onder intellectuelen in de VS en Groot Brittanië, zei in 1849 “Offro fame, sete, marce forzate, battaglie e morte”: Ik bied honger, dorst, gedwongen marsen, veldslagen en dood.

Churchill is niet de enige die zich liet inspireren door fameuze voorgangers om er vervolgens met de credits vandoor te gaan. Ook Lenin’s beroemde uitspraak: “Die Religion ist das Opium für das Volk” is niet van Lenin, en zelfs niet van Marx, waar Lenin zich door liet inspireren.  Oorspronkelijk is de uitdrukking van Markies De Sade, die een van zijn karakters, Juliette, tegen koning Ferdinand laat zeggen over religie: “C’est de l’opium que tu fais prendre a ton peuple” – het is opium dat je het volk laat innemen.

Toch is de les die je hieruit zou kunnen trekken – beter goed gejat dan slecht bedacht – riskant. Neem bijvoorbeeld de maiden speech van Melania Trump, waarin ze zich al te letterlijk laat inspireren door haar voorgangster Michelle Obama. Met de zoekfunctie op internet is plagiaat tegenwoordig razendsnel ontmaskerd. Beter is het je inspiratiebronnen wat verder weg te zoeken en er een kleine variant op te verzinnen. Zoals Churchill deed. Je kunt er wereldberoemd mee worden, al zal een postzegel met je portret er waarschijnlijk  tegenwoordig niet meer inzitten.

Wie het niet nodig vindt om zelf heel taalvaardig over te komen maar wel wil laten blijken uitspraken van  geleerde voorgangers te kennen, kan zich bedienen van de ‘allusie’; een metafoor die openlijk verwijst  naar een andere context. Zoals bijvoorbeeld Baudet’s “Uil van Minerva”, die hij noemde in zijn overwinningsspeech na de Provinciale Statenverkiezingen in 2019.  Journalisten zagen al snel het verband met de Duitse filosoof Hegel, die in 1821 schreef: “Die Eule der Minerva beginnt erst mit der einbrechenden Dämmerung ihren Flug ” – de uil van Minerva begint pas bij de avondschemering met haar vlucht.  Baudet laat met deze allusie blijken dat hij een dik boek heeft gelezen en versterkt hiermee zijn elitaire imago. En het werkt – iedereen in Nederland kent inmiddels de Uil van Minerva, al zullen veel mensen eerder aan het Leidse studentencorps Minerva denken dan aan Hegel. Ook elitair, dus het effect is gelijk.

Churchill, Lenin, Melania Trump, Baudet – ze laten zien zich maar al te bewust te zijn van het belang van woorden voor de politiek. Origineel of niet, dat doet er in de politiek lang niet altijd toe. Sommige woorden zijn eenvoudigweg te goed om niet her te gebruiken.

Blikvernauwende metaforen

‘Veredelde speeltuinen’ sneerde CDA-politicus Jan de Vries in 2005 over de Iederwijs-scholen, die in 2002 van start waren gegaan en waarvan er in drie jaar tijd zo’n twintig ontstonden. Het nieuwe onderwijsconcept – kinderen mogen zelf kiezen wat, wanneer en hoe ze leerden – baarde opzien én onrust. Kon je, ook heel jonge, kinderen wel aan het roer van hun eigen leerproces zetten? Leerden ze vanzelf taal en rekenen omdat je dat nu eenmaal nodig hebt in de maatschappij. De Vries geloofde van niet en met hem de VVD. De twee partijen dwongen CDA-onderwijsminister Maria van der Hoeven in te grijpen. Iederwijs-scholen die niet konden uitleggen aan de Inspectie wat hun kinderen leerden, kregen geen goedkeuring van de keurmeesters van ons onderwijs.

door: Astrid Schutte

Invloedrijk onderwijsframe
De Vries’ ‘veredelde speeltuinen’ zullen waarschijnlijk de geschiedenis ingaan als een van de meest invloedrijke frames op het gebied van onderwijs. In het jaar nadat hij de ‘veredelde speeltuinen’ voor het eerst gebruikt, wordt deze maar liefst éénenzeventig maal herhaald in kranten en weekbladen.[i] Tellingen over de mate waarin de metafoor werd genoemd op radio of tv zijn er niet, maar Iederwijs is regelmatig in het nieuws dus daar wordt het beeld natuurlijk óók gebruikt. Ter vergelijking: Wilders’ invloedrijke ‘kopvoddentaks’ wordt in het jaar na de lancering van het frame 53 maal herhaald in de kranten en tijdschriften.
‘Het was een rake typering,’ zegt De Vries over zijn metafoor. ‘Maar ik had niet gedacht dat hij zoveel impact zou hebben.’
Waarom was de metafoor ‘veredelde speeltuinen’ zo invloedrijk? Socioloog Sietske Waslander [ii]verklaart het grote effect in een analyse mede uit de koppeling die mensen in hun hoofden maken met de beelden van spelende kinderen in de Nova-uitzending van eind 2004. Die uitzending bevat een reportage over een Iederwijs-school in Soest. Kinderen en ouders worden gefilmd en geïnterviewd. Het is mooi weer en veel kinderen spelen buiten in de zandbak of rennen rond. Niemand is op het eerste oog bezig met een schools vak of zelfs maar met een boek. Iederwijs is een speeltuin zeggen de beelden. De reportage wekt de suggestie dat het er in Soest iedere dag zo aan toe gaat.

Strijdmiddel
Een metafoor is een stijlmiddel dat de schijnwerper zet op één aspect van een onderwerp en daarmee een ander aspect onderbelicht laat. Dat betekent dat het juist zijn bewuste eenzijdigheid is die een metafoor zijn effect verleent. Een bedrijf een bord spaghetti noemen, legt nadruk op de onheldere structuur en laat onbelicht dat er in elke organisatie meestal toch wel een structuur zal zijn. Iemands gevoelsleven een ‘woestijn’ noemen, richt de blik of de mate waarin iemand waarschijnlijk afwijkt van de norm. Ongenoemd blijft dat niemands gevoelsleven emotieloos kan zijn. Iederwijs een speeltuin noemen, haalt de aandacht weg van het feit dat het óók een leerplek kan zijn. Mogelijk worden talige metaforen bovendien versterkt door begeleidende beelden? Een interessante vraag voor een media- of metaforenonderzoeker lijkt me
Metaforen gebruiken we vaak onbewust of ondoordacht Dat geldt ook vaak voor politici, aldus onderzoek van Emma Anbeek van der Meijden[iii]. Ze onderzocht de metaforen die politici gebruikten in 2005 in debatten over asielzoekers. Politici gebruiken 3 soorten metaforen om het vluchtelingenprobleem te framen: de vloedmetafoor, de containermetafoor en de verkeersmetafoor. Wat blijkt? Voor- en tegenstanders gebruiken dezelfde metaforen. Ook voorstanders van een ruimhartiger beleid gebruiken vaak en negatieve framing. Kennelijk zijn politici zich niet goed bewust van de kracht van metaforen.
Ook De Vries is verrast over het grote effect van de metafoor die hij bedacht; de ‘veredelde speeltuinen’. Maar hij bereikte er wel mee wat hij wilde: de wettelijke ruimte die Iederwijs kreeg, inperken.

Kokervisie
De blikvernauwing die een metafoor als ‘veredelde speeltuinen’ creëerde, versmalde het debat over Iederwijs echter ook. In plaats van bijvoorbeeld de vraag wat goed onderwijs is en welke dingen er mis gaan in het reguliere onderwijs – thema’s die je ook in relatie tot Iederwijs zou kunnen bespreken – gaat het debat ná De Vries’ metafoor vooral over de vraag hoe deze als school vermomde speeltuinen een halt toe te roepen. Er wordt daarna geen Kamervraag gesteld, geen commissievergadering verslagen, geen Kamerdebat gevoerd, zonder dat de associatie tussen Iederwijs en een speeltuin wordt gelegd. Onvermijdelijk stuwt het debat daarna niet alleen in de richting van een wijziging van de Leerplichtwet, maar ook naar een versimpeling en dualisering van de thematiek: voldoet Iederwijs aan de wet of niet. Een fundamenteler discussie over onderwijs, naar aanleiding van het Iederwijs-concept, is vanaf dat moment niet meer goed mogelijk. Het gaat alleen nog maar over goed of fout.
Metaforen reduceren de werkelijkheid om ze hanteerbaar te maken. Dat is hun winst. Maar dat doen ze op zo’n krachtige manier dat ze – tijdelijk – een kokervisie kunnen creëren. Wie een metafoor gebruikt, moet dat goed beseffen. Elk wapen brengt voor zijn gebruiker een verantwoordelijkheid mee.

In ‘De gelukkige school. Hoe Iederwijs het onderwijs opnieuw wilde uitvinden’ beschrijft Astrid Schutte onder meer hoe de metafoor van de ‘veredelde speeltuinen’ de ondergang van Iederwijs hielp bespoedigen. (SWP, 2018); https://www.swpbook.com/boeken/54/onderwijs/2051/de-gelukkige-school

[i] Tellingen zijn gebaseerd op artikelen in Lexis Nexis.

[ii] – Waslander, Sietske. Van Polmanhuis tot Polemiek; een inhoudsanalyse van het debat over ‘Het Nieuwe Leren’ 1995-2005. Opgenomen: Slash 21. De waarde van Slash21. Bespiegelingen over het onderwijsinnovatieproject. Uitgave van de Stichting Carmelcollege en KPC Groep, september 2006
– Waslander, Sietske en Pieter Leenheer. Beelden van de media. Over media, mediatisering en onderwijs. De Nieuwe Meso, 01-03-2014

[iii] Emma Anbeek van der Meijden: Spraakwater, een vergelijkende analyse van metafoorgebruik het politiek debat over vluchtelingen en asielzoekers:http://tekstblad.nl/nieuws/metaforen-in-het-politiek-debat-over-het-asielbeleid

Democratie of populisme

schermafbeelding-2016-11-22-om-13-51-53pmHet verschil tussen democratie en populisme? Het één is een Grieks woord, het ander is Latijn, maar daar houdt het verschil eigenlijk wel zo’n beetje mee op, zo formuleerde minister Plasterk het tijdens de boekpresentatie van het net verschenen De Januskop van de democratie van politiek filosoof Sjaak Koenis. Plasterk nam op maandag 21 november officieel het eerste exemplaar van het boek in ontvangst, in zijn hoedanigheid als minister met de ‘democratie’ in zijn portefeuille. Het onofficiele eerste exemplaar had hij in het weekend ervoor van voor tot achter uitgelezen. Plasterk: “Een inspirerend boek. Het laat zien dat de filosofie een interessante bijdrage kan leveren aan de politieke discussie in Nederland.”

Januskop
Dat populisme en democratie twee kanten zijn van dezelfde medaille, laat Koenis overtuigend zien in het boek over ‘de bronnen van boosheid in de politiek’. Doordat democratie gelijkheid belooft, maar die belofte nooit helemaal kan inlossen omdat mensen nu eenmaal verschillen in talent en geluk, is zij tegelijkertijd een bron van boosheid. Boosheid op de ‘ander’ die weliswaar gelijk is, maar toch meer geld, opleiding of politieke macht heeft. Deze boosheid kan productief worden ingezet, om de wereld en de eigen positie daarin te verbeteren. Dat noemen we emancipatie. Uit dezelfde bron kan echter ook een machteloze boosheid worden gecultiveerd, die niet verder rijkt dan slachtofferschap. Deze boosheid noemen we ressentiment.

Slachtofferschap
Volgens Koenis is het belangrijk om de boosheid die we op dit moment veel in de politiek tegenkomen, niet zonder meer weg te zetten als ‘populisme’ of als ‘een gevaar voor de democratie’. Beter is te kijken of boosheid alleen maar slachtofferschap cultiveert, of dat de boosheid ook echt naar maatschappelijke verandering streeft en dus doet waar de democratie voor is: het mensen laten opkomen voor hun belangen en ideeën. Zowel links als rechts vertonen volgens Koenis beide soorten boosheid en verdienen een open mind – waarmee Koenis overigens het populisme ook weer geen onbelemmerde doorgang verleent, zo bleek tijdens de levendige discussie met de zaal. Zodra populistische stromingen groepen mensen van de democratie willen uitsluiten, omdat deze er niet bij zouden horen, gaat zij een stap te ver: alle mensen en niet alleen zij hebben immers het recht om hun eigen boosheid in te zetten in de politieke strijd.

Volgens Herman van Gunsteren, die een inleiding hield over het thema, valt het met de huidige boosheid in de maatschappij overigens best mee. Hij had de indruk dat de politiek vroeger nog wel bozer was dan nu. Wat volgens hem wel aan de hand is, is dat er heel veel tweede- en derderangs burgers zijn in Nederland, die politiek niet echt vertegenwoordigd worden. Die mensen laten dat luid en duidelijk blijken door te stemmen op een duidelijke buitenstaander van de politiek. Constructief? Op het eerste gezicht niet, maar zoals Koenis betoogt, zal de geschiedenis daar later pas echt over kunnen oordelen.

Sjaak Koenis. De Januskop van de Democratie. Over bronnen van boosheid in de politiek. Van Gennep 2016. €19,90 

Terechte of onterechte woede?

img_4825De verkiezing van Donald Trump wordt wel gezien als een triomf van de woedepolitiek. Of deze woede terecht of onterecht is zal de geschiedenis later uitmaken. Wat voor de ene terechte woede is, is voor de andere onterechte rancune. En wat vroeger als rancune werd weggezet, is nu gewoon terecht boosheid. Lees er meer over in het nieuw te verschijnen boek van Sjaak Koenis. Hieronder alvast een kort fragment:

“In plaats van direct een oordeel uit te spreken over de (on)redelijkheid van woede-uitingen van burgers, ben ik meer geïnteresseerd in hoe boosheid en woede geduid worden. Uit onze politieke geschiedenis kennen we de woede van burgers die zich achtergesteld voelen: de ‘kleine luyden’ van Abraham Kuyper van rond de vorige eeuwwisseling die zich verzetten tegen de hegemonie van de liberale hervormden; de katholieken die na eeuwen van tweedeklas-burgerschap eindelijk hun schroom van zich afwerpen en zich trots verschansen in hun eigen zuil; de socialisten die vechten voor de bevrijding van de arbeid, deze klassieke emancipatie
bewegingen hebben de solidariteit van de eigen groep opgezocht om samen te strijden voor lotsverbetering. Nu deze strijd gestreden is kunnen we ons in de meeste gevallen gemakkelijk identificeren, zo niet met de strijd zelf dan toch wel met de uitkomsten daarvan: het is in veel opzichten ónze geschiedenis geworden. Maar voor de betrokkenen betekende de boosheid verschillende dingen. Wat in de ogen van de ene groep gerechtvaardigde boosheid was , zag er in de ogen van andere groepen heel anders uit. Voor zover men zich überhaupt gedachten vormde over de woede van de arogi002invr01ill91nder – zo groot was de afstand inderdaad – was deze boosheid onbegrijpelijk, misplaatst, ongerechtvaardigd, rancuneus en werd deze woede door de voormannen van andere partijen op oneigenlijke gronden voor eigen politiek gewin gebruikt. Wat voor de eersten perspectief op bevrijding bood, zagen de laatsten als bedreiging. Wat voor de ene groep stond voor emancipatie, was in de ogen van andere groepen ressentiment.”

Citaat uit het nieuw te verschijnen boek “De Januskop van de democratie” van Sjaak Koenis. Over bronnen van boosheid in de politiek”. Geïntesseerd? Meld je aan voor  de boekpresentatie op maandag 21 november 2016 in Den Haag.

Thatcher, Merkel, Hillary

Hillary-for-presidentWat valt op aan het rijtje namen Thatcher – Merkel – Hillary? Flauwe vraag natuurlijk; dat het drie vrouwelijke politieke leiders van een groot land waren, zijn of worden – als de verkiezingen in de USA lopen zoals de laatste polls voorspellen. In de mannelijke politieke wereld is dit nog altijd heel bijzonder. Toch is er nog iets dat opvalt: één voornaam en twee achternamen. Voor het imago van een politicus maakt het een wereld van verschil.

Iron Lady
Margaret Thatcher had vooral het imago van een keiharde dame; haar bijnaam ‘Iron Lady’ was oorspronkelijk door de Russen bedacht als scheldnaam, maar Thatcher nam de naam heel handig als Geuzennaam over. Met haar viel niet te spotten.
Frau Merkel had jarenlang de uitstraling van een grijze muis, maar de laatste tijd is zij uitgegroeid tot een ‘mama Merkel’ ; vooral haar uitspraak in de vluchtelingencrisis ‘wir schaffen das’ heeft daar aan bijgedragen. “Kom maar bij mama, het komt wel goed” was wat mensen hoorden. Ik vraag me af hoe haar boodschap was overgekomen als ze een man was geweest.
Hillary heeft een probleem met een te afstandelijk imago. Ze komt ‘kil’ over, en houdt daarom niet op te benadrukken dat ze een trotse oma is en moeder. Ze zal ook erg blij zijn met foto’s als deze van moeders en baby’s die haar supporten. Uitdrukkelijk geen mevrouw Clinton dus: “Zeg maar gewoon ‘Hillary’ hoor, ik heb geen kapsones!” Hiermee maakt ze een radicaal andere keuze dan George W. Busch in 2001, die op een initiaal na onder dezelfde naam campagne voerde als zijn vader. Net als Bush had Hillary kunnen kiezen te profiteren van de presidentiële klank die haar achternaam al heeft. Daar deed ze bewust niet.

Politicus zijn is ‘uit’
Coquetteren met nauwe politieke banden is niet meer ‘in’: ook de broer van George W. Bush voerde in deze voorverkiezingen campagne onder zijn initialen J.E.B., waarin alleen de letter B. naar de familienaam Bush verwijst. Familie zijn van een politicus is campagne-technisch tegenwoordig een nadeel. Trump houdt niet op te benadrukken dat hij een politieke buitenstaander is, met hoegenaamd geen politieke ervaring. En dat is opvallend.
Want zoals Obama het in deze speech voor de Rutgers University in New Jersey verwoordde: “Ignorence is not a virtue. It is just not knowing what you are talking about.”

Waarom zouden mensen liever iemand kiezen die bewijsbaar geen verstand van politiek heeft, en daar zelfs prat op gaat, dan iemand die heeft bewezen een kundig minister van buitenlandse zaken te zijn, bovenop acht jaar ervaring als first lady? Hiermee is een 2000 jaar oud betoog van Socrates opeens weer actueel. Socrates benadrukte dat politiek een vak was, dat niet iedereen zomaar kon uitoefenen. Een schip laat je ook niet besturen door ongeschoolde matrozen, maar door een kapitein die weet hoe je een koers moet uitzetten, die ervaring heeft met zeestromingen en bewezen heeft stormen te kunnen doorstaan. Socrates uitte zijn kritiek op de democratie in een tijd dat Athene van de ene oorlog in de andere werd getrokken door emotionele beslissingen in de Ekklesia, de Atheense volksvergadering. Socrates’ woorden werden in zijn tijd niet gehoord, althans niet door de grote massa in Athene. Het leidde indirect wel tot een staatsgreep door enkele van zijn volgelingen, wat ook weer te denken geeft. Dat emotionele politiek van alle kanten tot geweld kan leiden, weten we van Pim Fortuyn en hebben we onlangs ook in Engeland kunnen zien.

Verhit
De vraag is of het Hillary gaat lukken de mensen te overtuigen dat ze beter voor politieke ervaring kunnen kiezen dan voor onwetendheid. Het gevaar is dat de gemoederen door de emotionele manier van campagne voeren zo verhit raken, dat alleen gevoel nog een raadgever is. En als alleen gevoel telt, op wie moet je dan stemmen als je niet voor Trump bent? Ook niet op Hillary: ze blijft toch meer een toneelspeelster die een aardige vrouw speelt, dan écht een aardige vrouw. Ik zou geloof ik het liefst diep onder de dekens wegkruipen, en wachten tot het gezonde verstand weer een beetje is teruggekeerd in de politiek. Maar misschien is het toch slimmer om op 8 november toch maar op mevrouw Clinton te stemmen, in de hoop dat ze zich zal ontpoppen tot de Iron Lady die de politiek op het moment nodig heeft. / © Carola Schoor 2016

foto: Dreamstime.com

De retorische drieslag ‘Pathos – pathos – pathos’

dreamstime_xl_57192469Donald Trump heeft de Republikeinse voorverkiezingen in de VS gewonnen. Zijn winst heeft hij echter niet behaald door Aristoteles’ bekende retorische drieslag van Logos –Ethos – Pathos (argumenten – reputatie – gevoel), maar geheel en al door hard op de gevoels-trom te slaan. Pathos – Pathos – Pathos lijkt tegenwoordig de nieuwe retorische succes formule.
En niet alleen voor Trump. Zo heeft de democratische kandidaat Hillary Clinton alleen maar last van haar normaal gesproken indrukwekkende reputatie (ethos). Het feit dat ze Secretary of State en First Lady is geweest lijkt alleen maar in haar nadeel te werken. Tegenkandidaat Bernie Sanders verwijt haar – en de hele heersende politieke klasse – de oren teveel te laten hangen naar de rijkste 1%. Zij hebben de politici in hun zak door hun exorbitant hoge donaties aan kandidaten; alle kandidaten zijn afhankelijk van een kleine groep allerrijksten in Amerika, behalve biljonair Trump die zelf rijk is, en Sanders die door talloze kleine donaties inmiddels meer geld heeft opgehaald dat Clinton met haar Super-PACs.

In de steek gelaten
Sanders argumenten zijn behoorlijk  overtuigend en de logos speelt hier dus zeker een rol, maar wel steeds ten dienste van de pathos. Sanders versterkt – net als Trump – vooral het gevoel van de kiezers in de steek gelaten te zijn door de politieke elite. Studieschulden lopen op tot honderdduizenden dollars terwijl bankiers nog steeds hun bonussen opstrijken. Het wegennet is slechter dan in menig ontwikkelingsland en de Amerikaanse droom is voor steeds meer mensen een onbereikbare utopie. Dat is het gevoel dat overheerst in de Amerikaanse voorverkiezingen, zowel bij de Republikeinen als bij de Democraten.
Het maakt daarbij niet uit of je goede argumenten hebt (Sanders) of liegt dat het gedrukt staat (Trump); bovenal is aan de hand dat de uitleg (logos) van de huidige politieke elite – van wat er allemaal wél is bereikt, dat er zo goed mogelijk op de crisis is gereageerd en dat de ‘internationalisering’ nu eenmaal de handen bindt – die uitleg volstaat niet meer. De bestaande argumenten zijn uitgewerkt en een nieuwe overtuigende onderbouwing van de politieke status quo is nog niet voor handen. Zolang er nog geen nieuwe politiek en nieuwe politieke elite is die door de meerderheid van de bevolking logisch en acceptabel gevonden wordt, zal de pathos nog wel eventjes de boventoon voeren.

Fact checken
Voor een deel is dit inherent aan de democratie, zoals Sjaak Koenis in het bericht Boze burgers en de democratie uiteenzet. Niets om je druk over te maken dus? Toch wel. Verontrustend vind ik dat  Donald Trump laat zien dat de mensen het helemaal niet erg vinden om aantoonbaar voorgelogen te worden. Al worden er nog zoveel uitspraken van hem onderuitgehaald als ‘feitelijk onwaar’ het schaadt hem niet. Hij heeft zelfs de brutaliteit om bij een aantoonbaar onware uitspraak te zeggen dat men deze uitspraak mag ‘fact checken’. Het interesseert hem niet, want het beeld dát hij dit zegt bereikt veel meer mensen dan de fact check waaruit blijkt dat hij liegt. Of hij hier ook op de langere termijn mee wegkomt, moet nog blijken. Ik blijf toch hopen op een beetje gezond verstand. Of dat een kans krijgt in deze sfeer, is echter te betwijfelen. De rest van de campagne belooft niet erg verheffend te worden, maar vooral veel spektakel te bieden. En als dat dan toch zo is, kunnen we er net zo goed van genieten. Want Oh wat is het spannend, dit WK voor presidenten, en dat nog een half jaar lang! /  © Carola Schoor 2016

Emotioneel gelijk krijgen

BeïnvloedenMetEmotiesAngst, woede, plezier, bewondering; overtuigen gebeurt nooit alleen op basis van argumenten. Wie het lukt om de gevoelens van de mensen te raken, krijgt vaker gelijk dan wie alleen het verstand aanspreekt.

Aristoteles en Cicero wisten hoe dat moest, maar ook Obama en Poetin hakken met deze bijl, om maar niet te spreken van Nederlanders politici als Wilders en Timmermans. Ze figureren allemaal in de bundel met korte essays ‘Beïnvloeden met emoties’, onder redactie van Jaap de Jong, Christoph Pieper en Adriaan Rademaker. Een mooi uitgegeven boek met redelijk toegankelijke bijdragen van wetenschappers uit allerlei vakgebieden over de rol die emoties spelen in het beïnvloeden. De essays dienen vooral ter inspiratie en dat is juist gezegd; het zijn geen uitputtende verhandelingen, maar kort genoeg om leesbaar te blijven en lang genoeg om aan te zetten tot nadenken en verder lezen.

Polly Barker
Een van de essays die aansporen tot nadenken over de huidige politiek is het stuk over Polly Barker door Jacqueline Hylkema. Halverwege de 18e eeuw ging er een tranen-trekkend verhaal over deze moeder de wereld rond en werd het in talloze publicaties gepresenteerd als ‘waar’ verhaal over een vrouw in Connecticut die werd aangeklaagd omdat ze een ‘bastaard’ ter wereld had gebracht – wat in die tijd in de Puriteinse staat verboden was. In werkelijkheid bestond Polly Barker niet en was het verhaal verzonnen door de Amerikaanse politicus en ‘founding father’ Benjamin Franklin, die ermee wilde aantonen dat de wet tegen bastaardkinderen slecht was. Het werkte; de verontwaardiging over de wet was groot en de speech werd in zelfs tot in Engeland en Frankrijk een groot succes.
Franklin had al eerder fictieve karakters brieven in kranten laten schrijven om onderwerpen aan te snijden, en was daarin heel succesvol. Dat het vervalsingen waren deed er voor hem niet toe; ze dienden het hogere doel om een groot publiek te laten nadenken over sociale misstanden en om steun te krijgen voor oplossingen. Het verhaal van Polly Barker was overigens wel gebaseerd op de levens van enkele echt bestaande vrouwen. Franklin had deze verhalen vooral mooier en emotioneler gemaakt; zo trouwde Polly uiteindelijk met een rechter, die zo geroerd was door haar ellende dat hij haar ten huwelijk vroeg. De reden voor deze literaire ingreep door Franklin was dat alleen de ‘logos’, het verstand, nooit genoeg is om te overtuigen, je moet een beroep doen op de ‘pathos’, de emotie.

Echt of verzonnen
Deze regel is tegenwoordig alom bekend in de politieke communicatie; bij elk voorstel of commentaar komen politici wel met een voorbeeld van ‘een mevrouw uit Tilburg’ of ‘onze loodgieter’ die vreselijke gevolgen ondervinden van een of andere maatregel. Dit maakt het voorstel of de kritiek veel makkelijker invoelbaar. Meestal zijn deze voorbeelden wel traceerbaar ‘echt’, en de vraag is of je tegenwoordig zover kunt gaan om het hele voorbeeld uit je duim te zuigen. Het zal ongetwijfeld gebeuren (zoals onlangs de fictieve reportages uit Schilderwijk lieten zien) maar het risico op ontdekking is groot. Te verwachten is dat de sociale media de leugen snel hebben ingehaald. Als dat gebeurt gaat de boodschap geheid verloren in het geraas rondom de leugen zelf en kan de boodschapper zijn politieke of journalistieke carrière verder wel vergeten.
We kunnen jammer genoeg nooit zeker weten hoeveel berichten ‘echt’ zijn en hoeveel gefraudeerd. Zeker op internet circuleren genoeg aantoonbaar verzonnen nieuwsberichten, niet van serieuze media of politici maar van commerciële sites die alleen maar zoveel mogelijk ‘clicks’ willen genereren. Helaas ondergraaft dat ook het vertrouwen in media en politici die hun stukken wel op reële gebeurtenissen baseren. Het enige verweer hiertegen is – en daar zijn we weer bij Aristoteles – het ethos van de schrijver. Je weet of iets waar is omdat je de persoon die het zegt of schrijft vertrouwt, niet vanwege de boodschap zelf.

Het geweer
Dat ethos inderdaad belangrijk is voor de overtuigingskracht, blijkt wel uit de speech waar het essay ‘Presenteer het geweer’ van Jaap de Jong in de bovengenoemde bundel naar verwijst. Het gaat over de TED-talk die de Nederlandse generaal Van Uhm in 2011 hield over ‘Why I chose the gun’: te zien op Youtube en inmiddels een paar miljoen keer bekeken en bekroond met de Cicero Award en de Cicero Grand Award. Ik had al vaker gehoord over de talk, maar het was er nog nooit van gekomen om hem te bekijken. Ik raad het iedereen aan (klik hier). Deze speech kan zelfs de meest verstokte pacifist nog overtuigen van het nut van een geweer, al is het maar voor de tijd dat de speech duurt.
De speech is in het Engels, en dat het écht een goede speech is, bewijst het feit dat je je zelfs niet echt stoort aan het stevige Hollandse accent van Van Uhm. Dit is pas speechen, met de nodige pathos, maar ook met ethos en logos. Sterke argumenten. Onderbouwd door gevoel. En vooral de ethos die je voelt als diep respect voor de spreker die zelf een zoon heeft verloren voor zijn gekozen doel, zonder dat hij daar overigens naar verwijst. En respect voor de soldate die daar met het geweer staat naast van Uhm, waar je niets aan ziet maar wiens gehoor en been is beschadigd in Afghanistan.
Van dat soort speeches kunnen de meeste politici alleen maar dromen. Die kun je ook niet zomaar houden, die moet je echt zijn. Toch zijn het juist dit soort getuigenissen die de politiek op dit moment nodig heeft. Waar enkele decennia geleden het leger veel maatschappelijke kritiek te verduren kreeg  is , ligt nu vooral de reputatie van de politiek onder vuur. Het leger heeft inmiddels haar negatieve imago om weten te zetten in een veel positiever beeld. Het kan dus. Het vertrouwen in de politiek is nu laag, en het is aan de politiek om dat terug te winnen. / © Carola Schoor 2016

Jaap de Jong, Christoph Pieper en Adriaan Rademaker (2015). Beïnvloeden met emoties. Pathos en retorica. Amsterdam, AUP.

Boze burgers en de democratie

© Jan Kranendonk | Dreamstime.comBoze burgers, het ressentiment of het onbehagen in de democratie is een interessant probleem. Waar komt het vandaan? Voor de Tweede Wereldoorlog wisten de meeste beschouwers van de politiek het wel: het is de democratie die de bron hiervan is. Na de oorlog is het beeld van de democratie helemaal gekanteld: van bron van onbehagen is het veranderd in het hoogste goed. Vrijwel iedereen is er tegenwoordig van overtuigd dat democratie een nastrevenswaardig ideaal vormt. Deze universele erkenning en waardering van democratie heeft ons echter blind gemaakt voor het ressentiment en het onbehagen dat de democratie juist zelf met zich meebrengt.

Volk en elite
Ik doel op drie soorten van ressentiment en onbehagen. Ten eerste is er de spanning tussen elite en volk. Het volk kan zichzelf alleen besturen met behulp van de elite die daartoe door het volk gekozen wordt. Maar in een democratische samenleving zal deze elite zich nooit blijvend op een maatschappelijke claim van superioriteit kunnen beroepen, ook niet op die van verdienste in een meritocratie, omdat het volk uiteindelijk ook ‘zijn besten’ kan en zal wegsturen, omdat de afstand tussen het ‘volk’ en zijn ‘besten’ te groot is geworden, en het volk daarom op zoek gaat naar nieuwe vertegenwoordigers. Omdat dit onbehagen afhangt van de conjunctuur van de politiek noem ik dit conjunctureel onbehagen. Het linkse populisme uit de jaren zestig is er een voorbeeld van, net als het rechtse populisme van het laatste decennium. Ze markeren het einde van een periode waarin elite en volk een relatief stabiele relatie onderhielden.

Gebroken beloftes 
Ten tweede is er spanning tussen wat democratie belooft en wat zij levert. In theorie staan vrijheid en (stands)gelijkheid hoog aangeschreven, maar in de praktijk leidt de vrijheid die wordt gerealiseerd tot grotere (sociaal-economische) ongelijkheid. Het onbehagen dat deze spanning oproept is niet afhankelijk van de conjunctuur van de politiek, maar leidt permanent tot afgunst en ressentiment. Hoe dit ressentiment zich uit en hoe sterk het is hangt af van de manieren waarop deze ongelijkheid institutioneel tegemoet wordt getreden. Men zou kunnen stellen dat de ontwikkeling van de verzorgingsstaat een belangrijke stap is geweest in het dempen van dit soort ressentiment, maar intussen is de verzorgingsstaat zelf deel van het probleem geworden. Over de vraag hoe en in welke mate ongelijkheden opgevangen dienen te worden, wordt in onze democratie permanent discussie gevoerd: wat voor de één de hebzucht van de hebbers of schrapers is, is voor de ander het ressentiment van de niet-hebbers of klagers, en afhankelijk van het relatieve gewicht van gelijkheid ten opzichte van vrijheid zal de onvrede kleiner of groter worden. De bonussen die in het bedrijfsleven en de (semi)overheid worden gegeven vormen niet voor niets een heet hangijzer.

Identiteitsverlies
Er nog een derde vorm van onbehagen die men rechtstreeks aan de democratie kan toeschrijven. Dat is het onbehagen dat het gevolg is van de ondermijning van de gemeenschappen waarin burgers zich in democratische samenlevingen organiseren, inclusief de nationale staat als die als een culturele gemeenschap wordt opgevat. Aan de ene kant biedt democratie burgers het recht en de mogelijkheid om zich te organiseren op basis van (religieuze) identiteit, gender, ideologie of cultuur. Met name religieuze gemeenschappen hebben sterke en wijdvertakte organisaties voortgebracht, maar ook het feminisme en socialisme hebben zich georganiseerd op basis van hun identiteit en belang. Aan de andere kant zorgt democratie er ook voor dat deze gemeenschappen steeds onder druk worden gezet. Voorbeelden hiervan zijn het herinrichten van gemeentes of het overdragen van nationale bevoegdheden aan Europa. Het onbehagen dat voortvloeit uit het verlies van deze gemeenschappen (religieus, politiek-ideologisch, cultureel) is niet conjunctureel, hangt ook niet samen met de spanning tussen toenemende standsgelijkheid en (sociaaleconomische) ongelijkheid, maar is diffuser. Het zorgt bij veel mensen voor het gevoel dat ze hun houvast kwijtraken, en dat gevoel is niet zomaar een hersenspinsel. Veel burgers zien Europa daarom als een bron van onbehagen.

Als de drie bronnen van onbehagen bij elkaar komen en elkaar gaan versterken – als mensen de zittende elite afwijzen, zich slachtoffer voelen van de vrijheid van anderen en hun vertrouwde gemeenschap in gevaar zien – dan wordt het interessant. Weliswaar komt niet de democratie zelf in gevaar, maar het is wel gedaan met de ‘normale politiek’ waarin elite en volk zich met elkaar verzoend hebben. In zo’n periode zitten we nu.

Sjaak Koenis

Een uitgebreide versie van deze column verscheen eerder in het tijdschrift Wijsgerig Perspectief jrg. 53 nr 3.

Je suIS IS, of toch Charlie?

isOp 8 april 2015 lukte het de hackers-groep Cyber Caliphate om de Franse TV-zender TV5 Monde over te nemen. Tegen een zwarte achtergrond verschenen de woorden ‘Je suIS IS’  op het televisiekanaal, de internetsite en de Facebookpagina van TV5 Monde. Dat IS zijn strijd niet alleen met behulp van wapens voert, maar ook dankbaar gebruik maakt van retorica, wordt weer eens duidelijk. Ze zijn zelfs gevat, met het gebruik van een allusie naar ‘Je suis Charlie’ en de weergave van de letters ISIS in ‘je suIS IS’ in kapitalen.
Het voelt een beetje als een klap in het gezicht. ‘Je suis Charlie’ was nu net het trotse en vastberaden antwoord van de Westerse wereld op de bloedige aanslag op het satirische weekblad Charlie Hebdo, een stellingname dat ‘wij’ in de Westerse wereld,  in tegenstelling tot IS, onze meningsverschillen vooral met woorden proberen uit te vechten. Dat is wat de woorden ‘Je suis Charlie’ uitdrukten: ze waren een metafoor voor: “Ik laat me de mond niet snoeren, hoeveel bloedige aanslagen jullie ook plegen”. 

Metafoor als steunbetuiging
Met deze metafoor (het is een metafoor omdat men niet letterlijk, maar figuurlijk Charlie was) gaf men uitdrukking aan zijn afschuw, medeleven met de slachtoffers en woede ten opzichte van de daders. Naast de sterke emotie die de metafoor uitdrukt, is het ook een strategische metafoor*: het is een stellingname in het politieke veld, tegen de aanval van de extremistische islam op westerse waarden en normen en een uiting van solidariteit. Het zegt: als je dit tijdschrift aanvalt, dan val je mij aan. En ik sla terug. Niet met daden, maar met woorden en tekeningen zoals Charlie Hebdo altijd heeft gedaan.

En nu slaat IS terug met onze eigen wapens, met de boodschap: Wij kunnen jullie wél monddood maken. Want dat is hoe we ‘Je suIS IS’ moeten begrijpen. Het zegt: ‘Ik neem jullie TV zenders over als ik dat wil en zet ze allemaal op zwart’. Gelukkig is dat nog niet het geval en vallen er bij deze retorische strijd nu geen doden, maar dat IS het niet bij woorden alleen laat, is helder. En dat er nu weer media doelwit zijn, is, als je er even over nadenkt, heel naar. Het haalt de herinnering aan de aanslag in januari weer terug. En zo is het ook (mede) bedoeld.

Kapot redeneren
De rol die metaforen hier spelen, plaatst de discussie die in januari ontstond over de metaforische leus ‘Je suis Charlie’ in een ander licht. Het debat in de Nederlandse media ging in januari onder meer om de vraag of deze Charlie-metafoor rationeel gerechtvaardigd was of niet; of al deze mensen wel het recht hadden om zich Charlie te noemen, want zij zouden nooit hun nek durven uitsteken zoals deze tekenaars hadden gedaan. Of zij hadden voor de aanslag nog nooit van Charlie Hebdo gehoord en hadden het blad zeker nooit gekocht.
Deze discussie slaat de plank flink mis. De metafoor ‘Je suis Charlie’ gaat misschien als rationele analogie niet honderd procent op, maar dat doet bijna geen enkele metafoor en de leus is ook nooit bedoeld om een rationele vergelijking te maken. Hij is bedoeld als emotionele steunbetuiging en als politieke stellingname. Een politieke taal-daad, en nog een hele krachtige ook. Die moet je niet kapot redeneren.jesuischarlie
Vooral nu IS terugslaat met deze ‘je suIS IS’ variant, is het belangrijk een lange neus terug te maken. Jij mag dan ISIS zijn, maar wij zijn toch lekker allemaal nog steeds Charlie. Fijn dat je ons er even aan hebt herinnerd. / © CS 2015

Metaforische schepen blijven bestaan

vvd houdt koersHet is weer verkiezingstijd en het is interessacolijnnt om te kijken naar de metaforen die de  partijen gebruiken. De VVD kiest voor een klassieker:  “De VVD houdt koers”. De partij treedt hiermee in de voetsporen van tal van partijen: Colijn liet zich al op verkiezingsaffiches afbeelden als stuurman (in zuidwester), en ook Rita Verdonk poseerde achter het stuurwiel. Bij de VVD echter geen Rutte aan de helm van het staatsschip, het affiche blijft vrij abstract – misschien omdat het beeld van Rita Verdonk achter het stuurwiel nog te vers in ons geheugen ligt. En natuurlijk is het afbeelden van de landelijke voorman bij provinciale staten verkiezingen ook niet heel opportuun, al hebben deze verkiezingen nog zoveel landelijke impact.

Rita Verdonk als stuurvrouwZeevaart
Ondanks de abstracte opmaak roept de koers van de VVD toch ook associaties op met het metaforische domein van de zeevaart. Het doel van het koersvaste VVD-beleid is volgens de VVD-site dat: “u de ruimte heeft om te bouwen aan uw leven”. Dit roept de associatie op met ontdekkingsreizigers die nieuw land zoeken waar nog ruimte is, of aan de emigratie van landgenoten die Nederland te beperkt vinden. En dat doet dan weer denken aan de VOC-mentaliteit van het CDA, alleen had dat juist niet te maken met doelgericht koers houden, maar met de koers loslaten en risico’s durven nemen om nieuwe dingen VVD koersvast naar de kelderte ontdekken, zonder vooropgezet plan. Want koersvast is ook weer niet altijd een positieve eigenschap, zoals het bijgaande commentaar van GeenStijl laat zien. Hierin vaart het koersvaste VVD-schip als een Titanic recht op een onder water verborgen ijsberg af. De VVD houdt koers naar de kelder. Tja, op een moment dat er van alles misgaat in de partij (sjoemelende bestuurders, aftredende bewindslieden) is koersvastheid inderdaad geen pré, dan is juist  wendbaarheid geboden.

Mammoettanker
Een andere bekende variant van het ‘schip van staat’  dat te weinig wendbaar is, komt van de Partij van de Arbeid. Toen Joop Den Uyl tijdens een van zijn ministerschappen het verwijt kreeg dat hij teveel dezelfde koers voer als zijn voorgangers, was zijn repliek dat de marges nu eenmaal smal zijn. Een mammoettanker is nu eenmaal moeilijk wendbaar, maar als je de koers slechts met een enkele graad weet te verleggen, dan zal dat op korte termijn niet opvallen, maar op lange termijn kom je echter op een heel ander continent aan (ik heb bron van dit citaat helaas (nog) niet kunnen traceren; een kanttekening is dus op zijn plaats, ik heb dit niet kunnen checken).
De mammoettanker is op zichzelf overigens ook een klassieker als het gaat om beleid dat maar moeizaam omgebogen kan worden. De overheid, maar ook grote, logge organisaties worden er al te vaak mee vergeleken.

Sleets
En de VVD? Op de juiste koers met deze metafoor?  Op zich komt de boodschap wel over, al hebben ze de pech dat juist in verkiezingstijd allerlei VVD-bewindslieden negatief in het nieuws zijn. Daarbij is ‘koersvast’ erg sleets. Maar hiermee wijken zij niet af van de andere partijen, die allemaal voor een ‘evergreen’ lijken te hebben gekozen: ‘Afrekenen’, ‘Samen één,’  ‘Nu vooruit’, ‘Stuur Rutte naar huis’. Het blinkt niet uit in originaliteit. Maar daar is het ook helemaal niet om te doen. Een metafoor hoeft helemaal niet origineel te zijn om zijn werk te doen. Sommige metaforen vatten nu een keer goed samen wat je anders in tien zinnen moet uitleggen. Alleen is het jammer dat je je er niet echt mee onderscheidt. / © CS 2015