Metafoor, een retorische alleskunner

aristotelesAristoteles was de eerste bij wie het woord ‘metafoor’ is teruggevonden, in zijn werken ‘Retorica’ en ‘Poetica’. Of hij ook de eerste was die het gebruikte is niet bekend, want van de retorica vóór Aristoteles staat niets op papier.

Letterlijk betekent metafoor ‘overdragen’, en Aristoteles wilde ermee zeggen dat de betekenis van een woord wordt overgebracht op een ander woord. Het is dus iets dat iemand actief doet, het is geen onderdeel van het taalsysteem zelf; het is wat we tegenwoordig een ‘taaldaad’ (of in het Engels een ‘speech-act’) zouden noemen. Verder definieert Aristoteles een geslaagde metafoor als het werk van een ‘genie’: het is niet gemakkelijk om een goede metafoor te vinden, het is een kunst die maar weinig mensen verstaan en het is ook niet te leren, want je moet de gave hebben – net als een filosoof – om ‘gelijkenissen’ te zien in de werkelijkheid, en dan geen voor de hand liggende gelijkenissen, maar ook weer niet te ver gezocht. Een metafoor staat dan ook dicht bij een vergelijking: een vergelijking is eigenlijk een metafoor waaraan het woord ‘als’ is toegevoegd.

Voor het retorisch gebruik – dus in politieke betogen, officiële redevoeringen en in de rechtspraak – is een metafoor volgens Aristoteles een van de belangrijkste stijlfiguren,  vooral omdat hij eigenlijk nauwelijks opvalt. Dat komt omdat metaforen ook veel voorkomen in ‘gewone’ conversatie. Hierdoor kan het retorisch gebruik van metaforen dus vrij onzichtbaar gebeuren. Anders dan bijvoorbeeld in de poëzie is het in de retorica belangrijk dat stijlmiddelen niet teveel de aandacht naar zich toetrekken. Redevoeringen moeten overkomen als spontaan en ongekunsteld, en stijlfiguren die teveel in het oog springen (zoals metrum en rijm) zijn meer geschikt voor de poëzie.

Zo niet dus de metafoor, die is bij Aristoteles een echte ‘alleskunner’, en is belangrijk voor alledrie de retorische middelen die Aristoteles in een tekst onderscheidt: de logos (de logische argumenten van het betoog), de pathos (de emotionele lading) en de ethos (onderdelen van het betoog die laten zien dat de spreker betrouwbaar is en weet waar hij over spreekt). De metafoor heeft in al deze drie middelen een prominente functie. Metaforen kunnen heel goed inzicht verschaffen, en ze ondersteunen dus de logos van een betoog. Ze geven daarnaast een belangrijke emotionele lading aan een tekst (pathos), en door een knap metafoorgebruik kan een spreker bewondering wekken en zijn welsprekendheid ten toon spreiden (ethos). Wie dus de kunst van de goede metafoor beheerst heeft als redenaar een machtig wapen in handen.

➤ Beelden ten dienste van de Rede

 

/ © CS 2015